Troost Troost

door ds. Klaas Touwen
Preek bij Job 19,23-27a; Psalm 119; Openbaring 4 en Marcus 12,18-27 op zondag 4 november 2018

Lieve gemeente

In het evangelie van de vrouw met haar zeven overleden echtgenoten
gaat het om wat ons te hópen is gegeven:
onze enige troost zowel in leven als in sterven.
En ook over: hoe wij onze eigen lieve doden
aan God hebben toevertrouwd.

Eerst moet ik iets uitleggen over wie die Sadduceeën
– en tegenover hen de Farizeeën – waren.
Daarna moeten wij verder nadenken over: waar zijn onze doden?
en wat wij van de opstanding van de doden geloven.

***

Er was in Jezus’ tijd niet één Jodendom,
er waren heel verschillende richtingen met onderlinge spanningsvelden.
Twee hoofdstromingen deden zich voor:
die van de Farizeeën, die van de Sadduceeën.
Daarbij moet u bedenken
dat in de tijd waarin de evangeliën te boek zijn gesteld,
allemaal na de verwoesting van de tempel in het jaar 70 na Christus,
de rol van de Sadduceeën al helemaal was uitgespeeld.

Want inderdaad: hun positie, aanzien, invloed, macht, prestige
was gecentreerd in de tempel.
Zij behoorden tot de tempel-elite.
En dus: toen in het jaar 70 de tempel verwoest lag, geplunderd, omver gehaald,
is de Sadduceese richting verdampt, er bleef niets van over,
terwijl juist de Farizeese richting de geestelijke kracht had
om het Jodendom verder te leiden en richting te geven.

Het is dus in een terugblik,
dat de evangeliën over de Sadduceeën schrijven,
in terugblik, met alle vertekening van dien.
Jezus zelf, en ook Paulus, behoorden tot de Farizeese richting,
de adel van Israël.
De Farizeeën hebben het volk bewaard bij Mozes en Elia,
de Wet en de Profeten.

Zij hadden veerkracht wan zij stonden open voor nieuwe inzichten,
zoals een gericht van God dat over de wereld gaat,
zijn grote dag die komt
als hij recht zal spreken en recht zal doen aan de levenden en de doden.
Zij wisten van engelen, geloofden in de opstanding uit de doden.
Dat hadden ze geleerd van de profeten.

De Sadduceeën niet.
Die hielden het bij het oude: de tempel en de Thora.  
In religieus opzicht waren zij conservatief:
het oude bewarend, het nieuwe afwerend.
Zij hielden er maar een heel klein bijbeltje op na,
alleen de Thora, de vijf boeken van Mozes: Genesis, Exodus, enzovoorts.

De Sadduceeën hielden de profeten voor nieuwlichterij en dus verwerpelijk.
Wat zij voorstonden was een Jodendom
dat zich concentreerde op de grote feesten, de tempelfeesten,
maar zonder Jesaja en Jeremia, zonder Micha en Ezechiël.

Zij geloofden dus niet in de opstanding uit de doden,
want dat is profetisch.
Neem Ezechiël die een dal van doodsbeenderen zag liggen, knoken en schedels.
Maar in zijn visioen zag hij hoe die beenderen zich aaneenvoegden,
ribben en wervels, ellepijp, vingerkootjes,
er kwamen spieren op, er trok huid overheen
en God zelf heeft hen nieuw leven ingeblazen met de adem van zijn Geest.

Dat is profetisch, de opstanding der doden,
de opstand van de verworpenen der aarde.
Daar wilden de Sadduceeën in het centrum van de macht niet van weten.

Er lopen scheidslijnen door Israël en nu willen de Sadduceeën
van Jezus weten wat voor vlees ze in de kuip hebben.
Hoe moeten ze hem plaatsen?
Bij welke richting is Jezus in te delen?

Ze vragen hem dus over de opstanding uit de doden
en ze gaan uit van hun eigen smalle bijbeltje, de boeken van Mozes.
‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven…’
en dat gaat over het zwagerhuwelijk.

Als je broer plotseling sterft en zijn weduwe kinderloos achterlaat
dan is het om zijn nagedachtenis te eren
en om haar toch een goed leven te geven, dat jij
– als ongehuwde jongere broer – die weduwe, jouw schoonzus, huwt.
Zo heeft Mozes voorgeschreven.
Nu waren er eens zeven broers… en zij stierven de een na de ander,
zodat door dat zwagerhuwelijk die vrouw met alle zeven getrouwd is geweest.
Bij de opstanding, wiens vrouw zal zij dan zijn?

Dat is geen echte vraag, niet een vraag met compassie.
Het is een fictieve kwestie
om het geloof in de opstanding af te doen als bespottelijk.

Het bijzondere nu is dat Jezus,
dit keer uit datzelfde smalle Sadduceese bijbeltje,
dus uitgaande van Mozes, de opstanding uit de doden verkondigt.

Mozes spreekt over de Heer
als de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob,
die toch alle drie al lang dood en begraven zijn,
maar hij houdt niet op zich hún God te noemen:
‘Hij is geen God van doden, maar van levenden,
want voor Hem leven zij allen.’

***

Nu willen wij dat verstaan.
Wat betekent dit woord van Jezus voor onze lieve doden,
hoe wij hen aan God hebben toevertrouwd,
en hoe zullen wij onze eigen sterfelijkheid verstaan?

Wat opvalt is het beeld dat de Sadduceeën schetsen:
van een hiernamaals als een ‘hierna nògmaals’, een familiereünie in de hemel.

Dat je dáár in dezelfde verhouding tot elkaar staat als hier in dít leven.
Dus dat het daar gewoon dóórgaat:
als man en vrouw of ouder en kind,
in al hun rollen ten opzichte van elkaar,
in het netwerk van betrekkingen en de banden van het bloed.

Jezus daarentegen onderstreept het blijvende, het continuüm:
dat je in leven en in sterven een kind van God bent en blijft,
maar ook het ándere, de breuk, de discontinuïteit:
niet de bestaande verhoudingen, nee: zij zullen zijn als de engelen.

Dat geeft ons veel te denken.
Het geloof in de opstanding der doden betekent
niet hétzelfde nog een keer,
maar dézelfde – jij, kind van God –,
maar ánders, ‘als de engelen’.

Niet dat het met die engelen zoveel duidelijker wordt,
want wie of wat zijn engelen?
Maar doordat Jezus de engelen even in het midden zet,
maakt hij het onmogelijk dat je van jezelf uit blijft doordenken
en van jezelf blijft uitgaan.

Nee, probeer het eens te bezien vanuit – laten we zeggen – de engelen.
Niet altijd jezelf in het midden zetten.
Wat blijft er van ons over?
Hoe zal God ons bewaren?

Dat grote ego, moet dat blijven?
We hebben er zelf al zoveel last van en anderen nog meer,
moet dát geprolongeerd in de hemel?

‘Zij zullen zijn als de engelen.’

Wie wij zijn, hoe wij zijn gerijpt of beschadigd,
het staat niet los van wonden die zijn geslagen,
leed dat wij dragen,
angst en pijn die wij verduren.

Ik ben niet los te denken van mijn littekens,
die maken mee deel uit van mijn individualiteit.
Wordt dat ons nagedragen, ook nog in de eeuwigheid?

Het individu dat jij bent,
valt dat samen met wie jij ten diepste bent?

Helemaal recht tégenover het ego denken wij onze ziel,
die niet met het ego samenvalt, integendeel,
die juist een andere wijze van leven mogelijk maakt.

Maar wat is dat: je zíel?
Dat is je leven en daarvan de kern,
zoals God je heeft gewild en bedoeld: Loof de Heer mijn ziel.

Maar nog een stap verder:
het christendom leert niet de onsterfelijkheid van de ziel,
maar de wederopstanding des vlezes.
‘Vlees’ roept meteen heel veel misverstanden op,
maar daarmee wordt niet bedoeld: spieren, aderen, weefsel,
maar dat jij een schepsel bent,
de geschapenheid van je bestaan,
niet alleen je edele gedachten en hoogste idealen,
maar ook je gebondenheid aan de aarde
en hoezeer je hecht aan dit leven.

Dat alles is ‘vlees’:
dat je het moet hebben van deze werkelijkheid,
dat je met hart en ziel midden in de wereld leeft,
waar veel over te zeggen valt
en het leven in deze wereld staat ook onder een voorbehoud,
maar je mag er niet aan af te doen
want dit eerste en dit laatste blijft staan:
dat dit leven goed is, want door God geschapen
en alzo lief heeft God de wereld gehad…
Midden in de wereld is Christus, het Woord, vlees geworden.

Dat is dus wat de kerk belijdt: de wederopstanding des vlezes.
Niet: jijzelf met huid en haar, met heel je hebben en houden, nóg een keer.
Wel: dat God niet loslaat wat zijn hand begon.

Jezus zegt: ‘Zij zullen zijn als de engelen.’
‘Zij’, er is sprake van ‘zij’, dat is continuïteit: dezelfden,
‘zullen zijn als de engelen’, dat is discontinuïteit: de breuk.

Wat blijft er van ons over?
Engelen hebben geen ego, geen littekens, geen leeftijd, geen aftakeling.
zij dienen God, zijn gehoorzaam aan zijn stem, loven zijn grote naam.

Wat blijft er van ons over?
Hoe zal God ons bewaren?

Wat opvalt in wat Jezus ons leert over de opstanding
is het blijvende: dat je een kind van God bent.

Waar dat uit blijkt?
Uit het grote gewicht dat gegeven wordt aan je naam.
Want als er iets je wezen is, dan is het wel je naam,
hoe je heet, hoe je daar meer en meer mee bent gaan samenvallen:
met hoe je heet,
hoe je genoemd wordt en gekend.
Dat God geen God van doden is maar van levenden,
blijkt uit de namen die hier klinken:
Hij is de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob.
En zo heeft ieder van ons nog wel een paar namen in te vullen:
dat hij de God is van jouw levensvriend- of vriendin,
de God van je ouders, de God van je broer of je zus, de God van je kind.

Het beeld dat de Sadduceeën schetsen van de opstanding de doden
is concreet en plastisch.
Jezus echter brengt het terug tot de kern.
De opstanding der doden wordt vergeleken met de engelen.
Dat is een vergelijking van twee onbekenden.
Maar wat wij ervan verstaan
is dat bij God de bron van leven is en de gedachtenis der namen
en dat hij niet ophoudt ónze God te zijn,
want dat is wel de belangrijkste omkering die Jezus aanbrengt.

De Sadduceeën verstaan de opstanding uit de doden als:
een verlenging van het persoonlijk eigene,
de prolongatie van onze individualiteit,
deze mens staat centraal.
De vrouw met haar zeven mannen wordt in het midden gesteld.

Jezus gaat daar niet op in:
hij stelt God en al zijn engelen in het midden.
Want dat is eeuwig leven,
niet wat er van onszelf allemaal overblijft: stof tot stof, as tot as,
maar dat God blijft
die jouw naam in gedachtenis houdt.

Loof de Heer, mijn ziel.

Het meest opmerkelijke van ‘zondag 1’ van de Heidelberger catechismus
is dat velen de vraag onthouden hebben:
‘Wat is uw enige troost, zowel in leven als in sterven?’
maar dat het antwoord vervlogen is.
Dat er zoiets zou zijn als een troost, dat ís al een troost.

Maar voor wie het vergeten is
of nooit geweten heeft:
‘Wat is uw enige troost, zowel in leven als in sterven?’

‘Dat ik met lichaam en ziel, zowel in leven als in sterven,
niet mijzelf toebehoor,
maar het eigendom ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus’,
aan wie is de heerlijkheid en de macht in alle eeuwigheid.




Gij die ons trouw zijt,
Allerhoogste,
die niemand uit het waakzaam oog verliest,
en geen één uit uw grote hart verbant,
leer ons geloof putten
uit wat Gij beloofd hebt:
nieuwe hemelen, diep doorbuigend
over een nieuwe aarde
waar alle schepselen,
zo tegenstrijdig als zij zijn,
vrede zoeken en gerechtigheid doen,
want alleen al doende
ontmoeten wij vrede en gerechtigheid
en enkel in liefhebben metterdaad
zal de liefde ons genezen.
Laten wij de Heer bidden:

Als wij bidden voor wie zijn overleden,
wil ons dan troosten, God, onze Vader.

En als wij bidden voor wie bang zijn,
wees aanwezig, Heer, Jezus Christus.

En als wij bidden voor wie ziek zijn,
zegen hen, Heilige Geest.

Laten wij de Heer bidden:

Wij bidden voor wie moeilijk leven
en zichzelf en anderen tot last zijn,
die gelijk hebben en het gelijk van een ander niet zien,
die zich zo weinig in hun medemensen verplaatsen,
dat er altijd conflicten op de loer liggen.
Leer ons allen
dat alleen door vertrouwen te geven,
vertrouwen wordt gewekt,
dat alleen door te vergeven,
wij vergeving ontvangen,
Laten wij de Heer bidden
 

terug
 
 
Leesrooster 2019
Onder Zingeving-Vieren door het jaar: Lees elke dag mee met het Oecumenisch Leesrooster van de Raad van Kerken in Nederland.
 
Nieuwsbrief
Aanmelding voor en de laatste editie van deze nieuwe digitale nieuwsbrief onder Informatiekanalen-Nieuwsbrief.
 
Vanuit de kerkenraad
Een bericht aan het begin van het nieuwe seizoen: Wie zijn wij-Kerkenraad.
 
Stichting Wijdekerk

LHBT’ers zijn bij ons gewenst in de kerk, dat dragen we uit met de regenboogvlaggen die we hebben uitgehangen. Lees verder onder Wie zijn wij-Bovenplaatselijke organisaties en Zingeving-Gebeden, gedichten en andere teksten
 
 
Moldavië 2018
POZM-POZA: terugblik op de reis tijdens de dienst van 18 november (Jeugd-Specials)
 
Talenten gezocht!
De kerkenraad is naarstig op zoek naar talenten.
Er zijn een aantal vacatures ontstaan  binnen onze gemeente, in de kerkenraad, maar ook daarbuiten, zoals een ouderling en iemand die het paasontbijt coördineert.
  meer
 
Behoefte aan een gesprek?
We willen een (t)huis bieden. Dat betekent ook: omzien naar elkaar, openstaan voor elkaar, elkaar opzoeken. Lees verder onder Wie zijn wij?-Pastoraat of stuur een mail naar
 
 
Trouwen?
Zijn er trouwplannen? Denk ook op tijd aan kerkgebouw en dominee.
  meer
 
Dopen?
Een kindje geboren? Laat het ons weten, zeker als je het kindje wilt laten dopen.
  meer
 
Privacy
Voor de Privacyverklaring van de Protetstantse Gemeente Deil - Enspijk: privacyverklaring
 
ANBI
Bekijk de ANBI gegevens van onze diaconie (goedgekeurd tijdens de kerkenraadsvergadering van 7 juni 2018)
Bekijk de ANBI gegevens van onze gemeente (goedgekeurd tijdens de kerkenraadsvergadering van 1 juni 2017)
 
 
Protestantsekerk.net is een samenwerking tussen de dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland en Human Content Mediaproducties B.V.